GEBEDSMANTEL EN KWASTEN - TALIT V’TZITZIT
tyjyjv tylu
"Daar zijn geen grenzen aan Jezus' macht voor
elk die wond'ren van Hem verwacht! Ja, wie Hem aanraakt, ervaart Zijn kracht!
Daar zijn geen grenzen aan Jezus' macht!" De meesten onder ons kennen
vast en zeker nog wel dit zeer bekende refrein van Glorieklokken 519 en
Opwekkingsliederen 218. Waar het mij in verband met deze bijbelstudie
voornamelijk om gaat, is het voorlaatste zinnetje: “Ja, wie Hem aanraakt,
ervaart Zijn kracht!” Dit zinnetje is namelijk ontleend aan vhyttm Matityahu [Matthéüs] 14:34-36 waarin wij lezen: "En
toen zij overgestoken waren, kwamen zij in rcyng Gineisar [Gennesareth] aan land. En
zodra de mannen van die plaats Hem herkend hadden, zonden zij bericht in die
gehele omgeving, en men bracht tot Hem allen, die ernstig ongesteld waren, en
zij smeekten Hem, dat zij alleen maar de tyjyj Tzitzit [kwast] van Zijn
dgb Beged [kleed] mochten aanraken. En allen, die Hem aanraakten,
werden behouden". Dit laatste zinnetje vormt dus de basis voor bovengenoemd
lied. Het wordt later ook nog een keer herhaald door de evangelist Markus: "En
overgestoken zijnde naar het land (/rah haAretz = Israël!), kwamen zij in rcyng Gineisar [Gennesareth], en legden
daar aan. En toen zij van boord gingen, herkenden de mensen Hem terstond, en
zij liepen die gehele streek af en begonnen degenen, die ernstig ongesteld
waren, op matrassen rond te dragen naar de plaats, waar zij hoorden dat Hij
was. En waar Hij ook kwam in dorpen of steden of gehuchten, daar legden zij de
zieken op de markten en smeekten Hem, dat zij slechts de tyjyj Tzitzit [kwast] van Zijn dgb Beged [kleed] mochten aanraken. En allen, die Hem aanraakten, werden gezond" (Marcus 6:53-56). De
genezing door aanraking van Zijn tvyjyj Tzitziot [kwasten] en de kracht, die daarvan uitgaat, komen wij ook heel
concreet in Lucas 8:43-48 tegen: "En een vrouw, die sinds twaalf jaren
aan bloedvloeiing leed en door niemand genezen kon worden, kwam van achteren
tot Hem en raakte de de tyjyj Tzitzit [kwast] van Zijn dgb Beged [kleed] aan, en terstond
hield haar vloeiing op. En Yeshua [Jezus]
zeide: Wie is het, die Mij heeft aangeraakt? En terwijl allen het ontkenden,
zeide Keifa [Petrus]: Meester, de scharen
drukken en verdringen U. Maar Yeshua zeide:
Iemand heeft Mij aangeraakt, want Ik heb kracht van Mij voelen uitgaan. Toen de
vrouw zag, dat zij niet onopgemerkt bleef, kwam zij bevende nader, viel voor
Hem neer en verhaalde Hem, voor al het volk, om welke reden zij Hem aangeraakt
had en dat zij terstond beter was geworden. En Hij zeide tot haar: Dochter, uw
geloof heeft u behouden, ga heen in vrede". - De bovengenoemde vrouw
heeft de juiste weg bewandeld om tot genezing te komen: ze moest zichzelf eerst
vernederen! De tvyjyj Tzitziot zijn namelijk moeilijker vast te pakken dan de rest van de Talit [gebedsmantel], en men moet er echt voor op de
knieën om ze aan te kunnen raken. Ook in de B'sora
(het evangelie) volgens vhyttm Matityahu [Matthéüs] wordt dit wonder
beschreven: "En zie, een vrouw, die reeds twaalf jaren aan
bloedvloeiingen leed, kwam van achteren tot Hem en raakte de tyjyj Tzitzit [kwast] van Zijn dgb Beged [kleed] aan. Want, zeide
zij bij zichzelf, indien ik slechts Zijn kleed aanraak, zal ik behouden zijn.
Maar Yeshua keerde Zich om, zag haar en zeide:
Houd moed, dochter, uw geloof heeft u behouden. En de vrouw was behouden van
dat ogenblik af" (vhyttm Matityahu [Matthéüs] 9:20-22). De Griekse grondtekst geeft aan dat het specifiek
de zoom van Zijn kleed was, die zij aanraakte, maar het Griekse woord kraspedon kraspedon, dat doorgaans vertaald
wordt met “zoom” werd toen in Joodse kringen eveneens gebruikt voor de Tzitzit, wat dus zoveel wil zeggen als “een kwastje
van gevlochten wol”. Zij strekte zich dus uit naar de kwasten, die zich
bevonden aan de hoeken van Zijn gebedsmantel.
Uit bovenstaande teksten blijkt dus, dat Yeshua beslist niet de romeinse toga droeg, waarmee Hij vaak op schilderijen wordt
afgebeeld, maar dat Hij geheel overeenkomstig de Tora
een soort Talit droeg, die voorzien was van Tzitzit. Maar wat houdt dit in? Welnu, Tzitzit is de naam van de vier zogenaamde
"schouwdraden" (draden om naar te kijken) die ook wel de
"gedenkkwasten" worden genoemd. Zij bevinden zich aan de vier hoeken
van het bovenkleed. In Israel was het vroeger de gewoonte om bovenkleden te
dragen, die van vierkante doeken waren gemaakt. Aan de hoeken werden de Tzitzit geknoopt. Het gebod om de Tzitzit zichtbaar te dragen vinden wij in het derde Toraboek rbdmb Bamidbar [Numeri]. Daar staat
geschreven: "De Eeuwige nu zeide tot Moshe [Mozes]:
Spreek tot de Israëlieten en zeg tot hen, dat zij zich gedenkkwasten maken aan
de hoeken van hun klederen (in het Hebreeuws staat hier: ypnk9li tyjyj
Tzitzit al-kan’fei) van geslacht tot geslacht, en dat zij in de Tzitzit aan de hoeken een blauwpurperen draad
verwerken. Dat zal u dan tot een gedenkkwast zijn; als gij daarnaar ziet, dan
zult gij al de Mitz'vot [geboden] van de
Eeuwige gedenken en die volbrengen zonder uw hart of uw ogen te volgen, dat gij
u daardoor tot overspel zoudt laten verleiden, opdat gij gedenkt en volbrengt
al Mijn Mitz'vot [geboden] en heilig zijt voor
uw G'd. Ik ben de Eeuwige, uw G'd, die u uit het land Mitzrayim
[Egypte] heb uitgeleid om u tot een G'd te zijn; Ik ben de Eeuwige, uw
G'd" (rbdmb Bamidbar [Numeri] 15:37-41). In h>dxh tyrb B'rit haChadasha [het Nieuwe Testament]
wordt meestal iets wat belangrijk is, nog eens herhaald in een ander
bijbelboek. Dit is ook hier het geval. Bovengenoemd gebod vinden wij daarom
eveneens in het gelijk daarop volgende Toraboek: "Gij zult u niet
kleden met een kleed van tweeërlei stof, wol en linnen tezamen. Gij zult u
gedraaide snoeren (tyjyj Tzitzit) maken aan de vier hoeken (tvpnk ibra Arba Kan’fot) van het kleed, waarmee gij
u bedekt"
(,yrbd D'varim [Deuteronomium] 22:11-12).
De Tzitzit, die zich aan de hoeken van het dgb Beged [kleed] bevinden, werden en worden nog steeds
gedragen door Joodse mannen, die zich trouw aan de Tora
houden, om de bijbelse geboden hieromtrent na te komen die wij zojuist
in de bovenstaande teksten hebben gelezen. De Tzitzit zijn
dus bedoeld om de mensen steeds te herinneren aan G’ds geboden!
Zowel in rbdmb Bamidbar [Numeri] 15:38 alsook in ,yrbd D'varim [Deuteronomium] 22:12 is het woord dat
vertaald wordt met “hoek” of “rand”, waar dus de Tzitzit
aan vast zitten, in het Hebreeuws het woord [nk Kanaf, dat ook vertaald kan
worden met “vleugel”. Dit woord Kanaf komt 76
maal voor in de Bijbel en als wij rekening houden met de dubbele betekenis van
dat woord, dan krijgen vele bijbelteksten voor ons een totaal andere betekenis
of in elk geval een veel diepere betekenis dan wij tot nu toe gewend waren
doordat ze vaak niet op de juiste wijze vertaald blijken te zijn. Wat denkt u:
heeft G’d vleugelen of niet? Heeft Zijn Zoon Yeshua
vleugelen of niet? Uit sommige teksten lijkt men dit wel op te kunnen maken.
Neem bijvoorbeeld tvr Rut [Ruth] 2:12, waarin wij
lezen: “De Eeuwige vergelde u uw daad, en uw loon valle u onverkort ten deel
van de Eeuwige, de G’d van Israël, onder Wiens vleugelen
(vypnk K’nafaiv) gij zijt komen schuilen”. Of wat denkt u van deze tekst: “Bewaar
mij als de appel van het oog, berg mij in de
schaduw van Uw vleugelen (!ypnk K’nafeicha) voor de g’ddelozen die mij
overweldigen, voor mijn doodsvijanden die mij omsingelen” (,ylht Tehilim [Psalmen] 17:8-9). Ook staat er geschreven: “Hoe
kostelijk is Uw goedertierenheid, o G’d; daarom
schuilen de mensenkinderen in de schaduw Uwer vleugelen (!ypnk K’nafeicha)…” (,ylht Tehilim [Psalmen] 36:8). Iets verderop lezen wij: “Wees
mij genadig, o G’d, wees mij genadig, want bij U schuilt mijn ziel; ja, in de schaduw van Uw vleugelen (!ypnk K’nafeicha) zal ik schuilen, totdat het onheil voorbij is” (,ylht Tehilim [Psalmen] 57:2) en: “Laat mij in Uw tent
voor altoos vertoeven, laat mij schuilen, geborgen
onder Uw vleugelen (!ypnk K’nafeicha)…” (,ylht Tehilim [Psalmen] 61:5). En weer in een andere psalm
staat geschreven: “Want Gij zijt mij een hulp geweest, in de schaduw van uw vleugelen (!ypnk K’nafeicha) jubel ik” (,ylht Tehilim [Psalmen] 63:8) en tenslotte verwijst ook ,ylht Tehilim [Psalmen] 91:4 naar de veilige schuilplaats
onder de vleugelen van de Eeuwige: “Met Zijn vlerken beschermt Hij u, en onder Zijn vleugelen (vypnk K’nafaiv) vindt gij een toevlucht”. Ik herhaal dus mijn vraag: gelooft u nu
echt dat G’d vleugelen heeft als een engel of doen deze teksten u toch eerder
denken aan de teksten die wij aan het begin van deze bijbelstudie hebben
gelezen? Zou het Hebreeuwse woord [nk Kanaf, dat in de
psalmen met “vleugelen” vertaald wordt, misschien toch eerder in verband
gebracht worden met de Tzitzit en dus met het kleed van Yeshua? Ik heb de
teksten uit de Evangeliën over de zieken die de zoom (kraspedon kraspedon) met de Tzitzit aanraakten en terstond genazen daarom ook in
de Hebreeuwse uitgave van h>dxh tyrb B'rit haChadasha [het Nieuwe Testament]
nagekeken en ik vond inderdaad het bewijs dat ik zocht, want in vhyttm Matityahu [Matthéüs] 14:36 las ik: “En zij smeekten
Hem, dat zij alleen maar de kwast van Zijn kleed [vdgb [nk K’naf Big’do] mochten aanraken. Hier staat dus heel duidelijk: “de [nk Kanaf van
Zijn dgb Beged”. In Marcus 6:56 idem dito! Ook in beide versies van het verhaal over
de genezing van de bloedvloeiende vrouw in Matthéüs 9:20 en Lucas 8:44 staan
weer dezelfde Hebreeuwse woorden: vdgb
[nk K’naf Big’do ofwel de “hoeken met de Tzitzit
van Zijn kleed”, die in de psalmen vertaald zijn met “vleugelen”. Al deze zieke
mensen die van heinde en verre waren gekomen om de “vleugelen” van Zijn Talit aan te raken waren dus blijkbaar op de hoogte
van ykalm Mal’achi [Maleachi] 4:2, waar van de
Mashiach [Messias] gezegd wordt dat Hij zal
komen met genezing onder Zijn vleugels: “Maar voor u, die Mijn Naam vreest,
zal de Zon der Gerechtigheid opgaan, en er zal
genezing zijn onder haar vleugelen (hypnkb biCh’nafeiha)…“ Hetzelfde woord [nk Kanaf dat in Numeri
15:38 voor “hoek” wordt gebruikt, staat in Maleachi 4:2 voor “Vleugel” en met
deze kennis in het achterhoofd kan men van een Jood, die een Talit [gebedsmantel]
draagt, terecht zeggen dat hij verblijft in de schuilplaats van de Allerhoogste
en onder Zijn vleugelen (,ylht Tehilim [Psalmen] 91:1-4). De
bloedvloeiende vrouw en al de andere zieken die de Tzitzit
van Yeshua aanraakten gaven uiting van hun
geloof in de Mashiach als de Zon der
Gerechtigheid met genezing onder haar
vleugelen en aan hun geloof in het profetische Woord van G’d, maar lieten
daarmee ook zien dat zij zich vasthielden aan de houvast die de Eeuwige ons
geeft door Zijn Tora, waar de Tzitzit immers naar verwijzen! Er is een prachtig
Israëlisch lied, dat ik onmiddellijk in mijn hoofd heb als ik hieraan denk,
want het is gebaseerd is op ykalm Mal’achi [Maleachi] 3:20 (in de
NBG-vertaling is dit 4:2). Velen onder u zullen het waarschijnlijk ook kennen:
.hypnkb aprmv hqdj >m> .,yklmh ;lm dvbkh ]vda
Adon haKavod, Melech haM’lachim, Shemesh
tz’daqa umarpe, biCh’nafeiha!
“Gij zijt de Heer van glorie, Koning der koningen! Gij zijt de Zonne der
Gerechtigheid, met genezing onder Uw vleugelen!” - Daarom worden tot op heden
de hoeken van de Talit ook “vleugels” genoemd.
Elders in de Bijbel wordt [nk Kanaf met “slip” vertaald,
zoals bijvoorbeeld in laqzxy Yechez’qel [Ezechiël] 16:8, waar wij
lezen: “Toen kwam Ik voorbij u en zag u, en zie, de tijd der liefde was voor
u gekomen; Ik spreidde de slip van Mijn kleed
(ypnk K’nafi) over
u en bedekte uw naaktheid, Ik ging onder ede een verbond met u aan,
luidt het woord van de Eeuwige Adonai; zo werdt
gij de Mijne”.
Ook hier wordt weer de hoek van de Talit
bedoeld, waaraan zich de Tzitzit bevindt.
Dezelfde vertaling zien wij in hyrkz Zechar’ya [Zacharia] 8:23 als
profetie voor de eindtijd: “Zo zegt Adonai Tz’vaot
[de Heer der heerscharen]: In die dagen zullen
tien mannen uit volken van allerlei taal vastgrijpen, ja vastgrijpen de slip van een Judeese man (ydvhy >ya [nkb biCh’naf ish
Yehudi),
en zeggen: wij willen met u gaan, want wij hebben gehoord, dat G’d met u is”. In de Statenvertaling
staat het zo: “Alzo zegt de HEERE der heerscharen: Het zal in die dagen
geschieden, dat tien mannen, uit allerlei tongen der heidenen, grijpen zullen,
ja, de slip ([nk Kanaf) grijpen zullen van een Joodse man, zeggende: Wij zullen
met ulieden gaan, want wij hebben gehoord, dat G’d met ulieden is.” Het mooiste vind ik deze
tekst in de Nieuwe Bijbelvertaling: “En dit zegt de HEER van de hemelse
machten: Als die tijd is gekomen, zullen tien mannen uit volken met
verschillende talen een Joodse man bij de slip ([nk Kanaf) van zijn mantel grijpen
met de woorden: Wij willen ons bij u aansluiten, want we hebben gehoord dat G’d
bij u is.”
Ik vind dit om diverse redenen een hele prachtige, maar vooral ook bemoedigende
tekst. Ook hier is er sprake van het vastgrijpen, ja als het ware zich
vastklampen aan de Tzitzit, die ons aan G’ds
geboden herinneren, die Hij nooit heeft afgeschaft! Maar hier zijn het juist
gelovigen uit de volken, niet-joden dus, die de Tzitzit
en daarmee ook de Tora vast grijpen
omdat zij “in die dagen” eindelijk tot de erkentenis zullen zijn gekomen, dat
zij zich bij de Joden moeten aansluiten en dat zij helemaal niet “vrij zijn van
de wet” zoals zij altijd hebben verondersteld, maar dat G’ds heilige wet, de Tora, haar geldigheid nooit heeft verloren.
Integendeel! Het maakt voor Hem juist niets uit of je besneden bent of niet,
dus of je een Jood bent of een Griek. Elke gelovige moet
Zijn geboden houden zoals reeds Sha’ul [Paulus]
geschreven heeft in zijn eerste brief aan de Korinthiërs: “Is iemand als
besnedene geroepen, hij late zich niet verhelpen en is iemand als onbesnedene
geroepen, hij late zich niet besnijden, want besneden zijn betekent niets en
onbesneden zijn betekent niets, maar wél het
houden van G’ds geboden!” (1 Korinthiërs 7:18-19). Hier valt
dus de valse leerstelling dat de christenen vrij zijn van de wet en dat de wet
alleen maar voor de Joden zou zijn als een kaartenhuis in elkaar, want in Yeshua staan wij allen op gelijke voet met elkaar
zoals Paulus ook in Galaten 3:28 en Romeinen 10:12 heeft geschreven: “Hierbij
is er geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk of
vrouwelijk: gij allen zijt immers één in de Mashiach
Yeshua!” – “Want er is geen onderscheid tussen Jood en Griek!” Een
heiden hoeft dus geen Jood te worden om tot de Gemeente des Heren te mogen
behoren, maar de Eeuwige verwacht wel van hem, dat hij zich net als de Jood zal
houden aan Zijn geboden. Niet om daarmee de behoudenis te verdienen, maar uit
pure dankbaarheid dat hij juist onverdiend zijn behoudenis heeft mogen
ontvangen door G’ds onmetelijke liefde voor Zijn kinderen! Als Paulus dus
schrijft dat er in de gemeente geen onderscheid is tussen Jood en Griek, dan
ligt dit geheel in de lijn met de instructie die de Eeuwige reeds aan Moshe [Mozes] heeft gegeven: "Wat de gemeente
betreft, éénzelfde inzetting zal gelden zowel voor u als voor de vreemdeling
die bij u vertoeft; een altoosdurende inzetting zal het zijn voor uw geslachten: gij en de vreemdeling
zullen voor de HERE gelijk zijn. Eenzelfde wet en eenzelfde voorschrift
zal gelden zowel voor u als voor de vreemdeling die bij u vertoeft" (rbdmb Bamidbar [Numeri] 15:14-16). Dit laatste wordt iets
verderop, nl. in vers 29-31, nog een keer herhaald: "Eenzelfde wet zal
voor u gelden, voor de onder de Israëlieten geborene en voor de vreemdeling,
die in uw midden vertoeft". Dit staat overigens in het zelfde
hoofdstuk waarin de Eeuwige ook aan de Israëlieten de opdracht gaf om de Tzitzit te dragen. Maar ook in andere Toraboeken
heeft G’d dit aan Moshe [Mozes] opgedragen. Zo
lezen wij in tvm> Shemot [Exodus] 12:49 aldus: "Eenzelfde wet
zal gelden voor de geboren Israëliet en voor de vreemdeling, die in uw midden
vertoeft". Maar ook in arqyv Vayiq'ra [Leviticus] 24:22 zegt de
Almachtige nadrukkelijk dat Hij daarin geen onderscheid maakt: "Enerlei
recht zult gij hebben; de vreemdeling (dus de gelovige uit de volken) zij
gelijk de geboren Israëliet, want Ik ben de Eeuwige, uw G'd". - We
gaan terug naar Zacharia 8:23, waarin wij hebben gelezen dat 10 mannen uit
volken van allerlei taal de Tzitzit van de
Joodse man zullen vastgrijpen. Het nadrukkelijk noemen van de 10 mannen geeft
aan dat het hierbij om een ]ynm Minyan gaat, een halachisch
voorschrift voor het minimum aantal mannen om een gemeente te kunnen vormen. De
10 mannen uit de volken van allerlei talen vertegenwoordigen hier dus de
niet-joodse Gemeente, die te dien dage zal inzien dat zij terug moet keren naar
de Edele Olijfboom Israël, waarvan zij zich in de loop van de kerkgeschiedenis
zelf heeft losgesneden en dat de messiasbelijdende Joden nodig heeft om G’ds
heilsplan beter te leren begrijpen, want reeds Yeshua zelf heeft gezegd: “Gij
aanbidt wat gij niet weet, wij aanbidden wat wij weten, want het heil is uit de
Joden!” (]nxvy Yochanan [Johannes] 4:22). Deze
tekst geeft hoop en is een geweldige bemoediging voor ons messiaanse gelovigen.
Nu ervaren wij nog veel verzet en afwijzing binnen de kerken, maar eens zal een
tijd komen dat er een ware éénheid zal komen tussen Jood en Griek: één kudde met
één Herder!!!
Het dragen van een tylu Talit
gebeurt dus in navolging op het gebod in de Tora
om de Tzitzsit te bevestigen aan de hoeken van
de kleding. Maar deze Mitzva is alleen van
toepassing indien men ook echt wel een vierkant kledingstuk draagt, hetgeen in
onze dagen eigenlijk niet meer gebruikelijk is. Om toch aan deze bijbelse Mitzva te kunnen voldoen, draagt men nu een Talit, een speciaal vierkant kleed met Tzitzit, tijdens het ochtendgebed, op Kol Nidre-avond en ook op de feestdagen. De huidige Talit [gebedsmantel] is derhalve een speciaal
kledingstuk, dat uitsluitend omwille van de vier hoeken gemaakt is, om daaraan
de Tzitzit te kunnen vastknopen. De
gebedsmantel werd een noodzaak toen de mode veranderde en men geen opperkleed
meer droeg waaraan de vier benodigde hoeken zaten. In de dagen van Yeshua droegen de mannen, zowel thuis als tijdens het
werk, een eenvoudig kleed, qvlx Chaluq genaamd. Wanneer men in het
openbaar verscheen droeg men over de Chaluq een
lang rechthoekig kledingstuk dat over de schouders werd gedrapeerd en tot aan
de enkels reikte. Dit kledingstuk dat Talit
werd genoemd, diende als mantel ter bescherming tegen kou en regen. Aan de vier
hoeken, die ook “vleugels” worden genoemd, waren de Tzitzit
bevestigd in gehoorzaamheid aan het bijbels gebod. Tegenwoordig is deze Talit gemaakt van witte wol of katoen, waarop zwarte
strepen zijn aangebracht, of van witte zijde, waarop nu blauwe strepen zijn
aangebracht. Een vermenging van verschillende stoffen is echter door de Tora ten strengste verboden, wat duidelijk blijkt uit
de reeds geciteerde tekst uit ,yrbd D'varim [Deuteronomium] 22:12 en arqyv Vayiq'ra [Leviticus] 19:19. Er bestaat een groot en
een klein talit. De grote heet lvdg9tylu Talit-Gagol en de kleine heet ]uq9tylu Talit-Qatan. De Talit-Qatan wordt ook wel tvpnk
ibra
Arba Kan’fot
genoemd, hetgeen letterlijk "vier hoeken" betekent, want het is
eigenlijk een klein vierkant onderhemd met Tzitzit.
Door de eeuwen heen en in tijden van vervolging werd het de Joden namelijk vaak
verboden de Tzitzit zichtbaar te dragen. Dit
dwong hen om een kleine Talit onder de kleding
te dragen. Orthodoxe Joden dragen hem nog heden en slapen er zelfs mee, maar in
Liberaal Joodse kringen beschouwt men het niet als noodzakelijk een Talit-Qatan te dragen om de hele dag aan deze Mitzva te voldoen. De Talit-Qatan
wordt onder het overhemd eigenlijk gedragen als een soort onderhemd. Wel moeten
daarbij de Tzitzit zichtbaar zijn. Als men de Talit-Qatan reeds in de nacht aantrekt, wordt de B'racha pas bij zonsopgang uitgesproken, maar de
grote Talit wordt alleen overdag gedragen.
Volgens sommige rabbijnen mag je een Talit-Gadol
nooit ’s nachts dragen, behalve op Yom Kipur,
omdat Joden dan worden beschouwd als engelen zonder aardse behoeften. Ik ben
het daar absoluut niet mee eens, te meer omdat ik deze stelling nergens in de
Bijbel kan vinden of zelfs maar iets maar in de richting komt van een verbod op
het dragen van een Talit na zonsondergang. Yeshua ging vaak ’s
nachts bidden en ik kan mij niet voorstellen dat Hij dit zonder Talit deed, die men toen immers droeg ter bescherming
tegen de nachtelijke kou.
hkrb B'racha -
zegenspreuk
Bij het omslaan van de Talit
zegt men een hkrb B'racha [zegenspreuk]. Dat moet
staande gebeuren. Men moet ervoor zorgen dat het grootste deel van de rug, maar
op zijn minst de schouders bedekt zijn met de Talit.
De Tzitzit mogen de grond niet raken. Vóór het omdoen van de grote Talit zegt men: “Om de éénheid van de Heilige,
wiens Naam geprezen wordt in gemeenschap met geheel Israël en om Zijn
g’ddelijke tegenwoordigheid in volstrekt één-zijn, ga ik nu het vierhoekige
kleed met de Tzitzit omdoen, teneinde aan een
gebod van mijn Schepper te voldoen, zoals is geschreven: Laten zij Tzitzit maken aan de hoeken van hun kleren, hetgeen
ook voor hun verdere geslachten geldt.” Bij het omslaan van de Talit zegt men:
iv>y l> vmdb vn>dq r>a ,lvih !lm vnyhla yy hta !vrb
.tyjyjb [uithl vnvjv
Baruch Ata
Adonai Eloheinu, Melech haOlam, asher qid’shanu b’damo shel Yeshua,
v’tzivanu l’hit’atef
biTzitzit.
Gezegend zijt Gij, Eeuwige, onze G’d, Koning van het
heelal,
Die ons heeft geheiligd door het bloed van Yeshua
en ons de opdracht heeft gegeven om het kleed met de
Tzitzit te dragen.
En na het omgedaan te hebben, neemt men de twee voorste
Tzitzit van de Talit
in de rechterhand en zegt: “Hoe kostelijk is Uw goedertierenheid, o G’d;
daarom schuilen de mensenkinderen in de schaduw uwer vleugelen; zij laven zich
aan het vette van Uw huis, Gij drenkt hen met de stroom van uw liefelijkheden. Want
bij U is de bron des levens, in Uw Licht zien wij het licht. Bestendig Uw
goedertierenheid voor wie U kennen, en Uw gerechtigheid voor de oprechten van
hart.” (,ylht Tehilim
[Psalmen] 36:8-11). Daarna kust men de Tzitzit en laat ze
los. Een Talit-Gadol wordt door de mannen
gedragen bij het bidden en door de sjoelbezoekers als zij een hvjm Mitzva [relieuze handeling] verrichten tijdens de
diensten. De ]zx Chazan
[voorzanger] of rvbj9xyl> Shaliach Tzibur (voorganger in het gebed)
draagt eveneens tijdens de dienst zijn Talit-Gadol.
Veel joodse mannen worden ook in hun gebedsmantel begraven.
De belangrijkste onderdelen van de hele gebedsmantel
zijn de Tzitzit oftewel de gedenkkwasten, die
op de vier hoeken op circa 4-5 cm van de kant worden bevestigd. De vier hoeken
symboliseren de vier windstreken van de aarde. Zij worden gedenkkwasten genoemd
omdat zij ons moeten herinneren aan de Eenheid van G'd, Tora en geboden en onze relatie met de Eeuwige. Elke letter van
het Hebreeuwse alfabet heeft tevens een cijferwaarde. Het woord Tzitzit wordt daarom als volgt in het Hebreeuws
geschreven:
j tzadei, y yod,
j tzadei, y yod en tenslotte de letter t tav.
(uiteraard van rechts naar links).
j tzadei is het getal 90
y yod is het getal 10
j tzadei is het getal 90
y yod is het getal 10
t tav is het getal 400
600 plus 5 plus 8 = 613.
Het getal 5 staat voor het aantal knopen in de
draden van de Tzitzit en het getal 8 staat voor
de hoeveelheid draden. Het getal 613 geeft het aantal ge- en verboden weer uit
de Tora. Er worden immers 248 geboden en 365
verboden in de Tora genoemd, die zijn
samengevat in de tien geboden die ook bij de christenen bekend zijn. Tien is
ook de getalswaarde van de letter y yod, welke ook de eerste letter
van G’ds heilige Naam is en tevens de eerste letter van de naam Yeshua. Iedere kwast bestaat uit vier draden, waarvan
er één oorspronkelijk een purpere kleur had. Deze purperen draad
vertegenwoordigt de Eenheid en soevereiniteit van de Almachtige temidden van de
schepping. De vier draden zijn dubbel geslagen, zodat het lijkt alsof er acht
draden zijn, die de zeven uitspansels en de aarde vertegenwoordigen. Hiermee
wordt uitgedrukt dat G’d de heerschappij voert over alle dimensies. Volgens een
andere uitleg symboliseren de acht draden de zes scheppingsdagen plus de Shabat en een draad voor het joodse volk. De vier
hoeken en de acht draden vormen de factor 4 x 8 = 32. Dit getal staat voor de
twee letters l lamed en b vet hetgeen aan elkaar geschreven bl lev
[hart] betekent ofwel: dien G'd met geheel uw
hart! De draden bevatten vijf
knopen en iedere knoop bestaat weer uit drie dubbele knopen. Tussen al deze
knopen bevinden zich achtereenvolgens 7, 8, 11 en 13 windingen van de draden.
De 7 windingen, die men aantreft, vormen de zeven dagen van de week. De 8
windingen behoren tot 8 dagen van de geboorte tot aan de hlym9tyrb B'rit-Mila [de
besnijdenis], in arqyv Vayiq'ra [Leviticus] 12:3 staat geschreven: "Op de achtste dag zal het
vlees van zijn voorhuid besneden worden" en in Lucas 2:21 lezen wij: “En
toen acht dagen vervuld waren, zodat zij Hem moesten besnijden, ontving Hij ook
de naam Yeshua, die door de engel genoemd was,
eer Hij in de moederschoot was ontvangen.” De 11 windingingen zijn de
getalsamenstelling 5 + 6, dat wil zeggen: 5 delen van btkb> hrvt Tora Sh'bichtav, de schriftelijke leer (TeNaCH) en 6 delen van hp9lib> hrvt Tora Sheb'al-pe, de mondelinge leer (Talmud
en Mishna). De 7, 8 en 11 omwindingen bij
elkaar vormen opgeteld de getalswaarde van de vierletterige heilige Naam van de
Eeuwige:
y yod, h he, v vav, h he (ook weer van rechts naar links). Dat is 7 + 8 + 11 = 26.
y yod is het getal 10
h he is het getal 5
v vav is het getal 6
h he is het getal 5 = samen 26.
De 13 omwindingen vormen het woordje één, in het
Hebreeuws dxa echad:
a alef, x chet
en d dalet.
a alef is het getal 1
x chet is het getal 8
d dalet is het getal 4
13 + 26 = 39.
Zo komt men tenslotte op een totaal van 39 omslagen,
en het getal 39 is dus de letterwaarde van de belijdenis: dxa hvhy Adonai echad [de Eeuwige is één!].
Yeshua heeft de Tora
waaraan de Tzitzit ons herinneren, dus niet
afgeschaft, maar Hij heeft een einde gemaakt aan het blindelings navolgen van
de Tora omwille van de Tora,
dus het wetticisme. Yeshua leert ons, dat de Tora er is voor ons eigen bestwil, als
gebruiksaanwijzing voor een leefbare maatschappij, die gebaseerd is op een
persoonlijke relatie met G’d, de Almachtige, en waarin rekening wordt gehouden
met de medemens. Yeshua is dus niet gekomen om
de Tora buiten werking te stellen, maar om ons
te leren om er bewust mee om te gaan. Daarom heeft Hij alle geboden van de wet
in twee samengevat: "Gij zult de Eeuwige, uw G'd, liefhebben met geheel
uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand. Dit is het grote en
eerste gebod. Het tweede, daaraan gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als
uzelf. Aan deze twee geboden hangt de ganse Tora
en de profeten" (vhyttm Matityahu [Mattheüs] 22:37-40). In
Romeinen 3:31 wordt radicaal afgerekend met het misverstand dat wij vrij zouden
zijn van de wet en bovendien duidelijk gemaakt, dat de Tora
zowel voor de Joden alsook voor de heidenen van toepassing is en blijft: "Of
is G'd alleen de G'd der Joden? Niet ook der heidenen? Zeker, ook der heidenen.
Indien er namelijk één G'd is, die de besnedenen (Joden) rechtvaardigen
zal uit het geloof en de onbesnedenen (gelovigen uit de
volken) door het geloof. Stellen wij dan door het geloof de wet
buiten werking? Volstrekt niet; veleer bevestigen
wij de wet!" - Ik werd eens gevraagd wat mijn
mening is over het dragen van een Talit
met de Tzitzit door niet-joodse mannen. Welnu,
men haalt in dit verband terecht de reeds eerder in deze studie geciteerde
teksten aan waarin staat, dat de Tora voor
iedere gelovige van toepassing is, dat dus één en dezelfde wet geldt voor zowel
de geboren Israëliet alsook voor de "vreemdeling in uw midden", dus
de gelovigen uit de volken die geënt zijn op de edele olijfboom Israël. Als men
dus uitgaat van het principe "gelijke monniken, gelijke kappen", dan
is het inderdaad een logische gevolgtrekking, dat ook de
"vreemdelingen" het recht zouden moeten hebben om een Talit te mogen dragen. In de tijd vóór Yeshua was dit ook zeker het geval. De
"vreemdelingen" die in de G'd van Israël geloofden en zich ook
dientengevolge volledig bij het volk Israël hebben aangesloten hadden niet
alleen het recht, maar ook de plicht om in alles gelijk te zijn aan de geboren
Israëliet. Dat geldt dus ook voor het dragen van de Tzitzit.
Als wij echter rbdmb Bamidbar [Numeri] 15
nader onder de loep nemen, dan lezen wij in vers 39: "Dat zal u dan tot
een gedenkkwast zijn; als gij daarnaar ziet, dan zult gij al de geboden
van de Eeuwige gedenken en die volbrengen..." - Dit betekent dus, dat
degene die een Talit draagt in principe daarmee
aangeeft dat hij zich aan alle geboden houdt. Althans, hij probeert
om zich daaraan te houden. Op zich hoeft dit voor een gelovige uit de volken
geen belemmering op te werpen, want uit 1 Johannes 2:3-6 blijkt duidelijk dat
al deze geboden nog steeds van kracht zijn voor iedere gelovige, Jood en Griek! En toch is er echter één belangrijke
uitzondering: de besnijdenis! Dat is een gebod dat door niet-joden uitsluitend buiten het Nieuwe Verbond om kan worden toegepast! Sha'ul haShaliach [de apostel Paulus] is daar heel
duidelijk in: "Zie, ik, Paulus, zeg u: indien gij u laat besnijden, zal
Christus u geen nut doen. Nogmaals betuig ik aan een ieder, die zich laat
besnijden, dat hij verplicht is de gehele wet na te komen. Gij zijt los van
Christus, als gij door de wet gerechtigheid verwacht; buiten de genade staat
gij!" (Galaten 5:2-4). Wat Paulus hier in de Galatenbrief wil
duidelijk maken is dit: wij kunnen de behoudenis niet verdienen door het houden
van de wet. Maar als wij door het offer van Yeshua
uit genade de behoudenis ontvangen, onverdiend, dan houden wij G'ds geboden
maar al te graag uit dankbaarheid. De wet is dus beslist niet afgeschaft, maar
zij is ook geen middel om de behoudenis te bewerken. Voor een gelovige uit de
volken is dus alleen de besnijdenis des harten van toepassing, niet de
lichamelijke besnijdenis. Laat hij zich echter wel besnijden, dan geeft hij
daarmee aan dat hij zijn behoudenis verwacht uit de werken der wet en daarmee
plaatst hij zichzelf buiten de genade. Ik heb hierover een aparte bijbelstudie
geschreven. Toch let op: ik heb het hier slechts over echte Goyim, mensen dus die geen druppel Joods bloed in hun
aderen hebben en op geen enkele wijze van Joodse afkomst zijn. Gelovigen
daarentegen, die weliswaar door het rabbinaat niet erkend zijn als Jood, maar
toch wel Joodse voorouders hebben, zij het van moederskant of zij het van
vaderskant, en ook al ligt het zelfs vele generaties terug, behoren zowel
volgens de wet der natuur alsook volgens de wet van G’d tot het biologische
nageslacht van Av’raham en derhalve is de
besnijdenis ook voor hen van toepassing. Het zou best nog wel eens kunnen dat
deze groep zelfs de meerderheid vormt van de wereldwijde Messiaanse beweging. De gelovigen uit de heidenen daarentegen zijn als het ware “geestelijke
immigranten” en dienen zich wel aan de bestaande wetten te houden zoals ook in
elk land van nieuwe immigranten wordt verwacht en zoals de Eeuwige heeft
opgedragen! In tegenstelling tot het oude Verbond hoeven zij onder het Nieuwe
Verbond echter niet genaturaliseerd worden tot staatsburgers van het
immigratieland. Ze mogen hun eigen nationaliteit behouden, maar krijgen een
permanente verblijfsvergunning, een vergunning tot vestiging. Ze hoeven geen
Joden meer te worden en zich te laten besnijden, wat onder het Oude Verbond
eerst wel het geval was. Zij integreren met behoud van de eigen identiteit. Zij
worden dus geen Israëlische staatsburgers, maar krijgen volgens de Efezenbrief
wel de burgerrechten van Israël, de gemeente van Adonai. Natuurlijk wordt ook hier verschillend over gedacht en zo zijn er ook
Messiasbelijdende Joodse gemeenten waar ook de gelovigen uit de volken besneden
zijn en derhalve een Talit mogen dragen. In elk geval blijft het dragen van een
Talit sowieso een Mitzva voor de Israëlieten, want binnen
het toragetrouwe Jodendom acht men het
vanzelfsprekend, dat degene die een Talit
draagt ook besneden moet zijn omdat een persoon die niet besneden is hierdoor
logischerwijs niet voldoet aan de in Num. 15:39 genoemde voorwaarde om alle
geboden te volbrengen. Om deze reden hebben talrijke Joodse gelovigen helaas
aanstoot genomen aan het feit dat er in sommige messiasbelijdende gemeenten met
name in Amerika ook onbesneden gelovigen uit de volken een Talit dragen en hebben de gemeenten onder andere om
deze reden verlaten. Dat is bijzonder jammer, want de gelovigen uit de volken
dragen de Talit immers juist om hun liefde en
respect voor Israël daarmee te tonen, niet wetende dat dit erg gevoelig ligt
bij Joodse mensen. Laten wij daarom het dringend advies van Sha’ul [Paulus] in 1 Korinthiërs 10:32 echt ter harte
nemen: “Geeft noch aan Joden, noch aan Grieken, noch aan de gemeente G’ds
aanstoot, zoals ook ik allen in alles ter wille ben, niet om mijn eigen belang
te zoeken, maar dat van zeer velen, opdat zij behouden worden.” Als men dus
door typisch Joodse "kleding" zijn verbondenheid met het Joodse volk
wil uiten, maar niet het risico wil lopen dat er iemand is die daaraan aanstoot
zou kunnen nemen, dan volstaat natuurlijk ook een Kipa
[keppeltje] voor de mannen en een hoofddoek voor de vrouwen (1 Kor. 11:5-6).
Laten wij derhalve ook in onze gemeenten en huisgroepen de profetie uit hyrkz Zechar’ya [Zacharia] 8:23 werkelijkheid
worden, waarin de niet-joodse gelovigen de Tzitzit
van de Joodse broeders vastgrijpen en genieten van het voorrecht, dat wij allen
kinderen van dezelfde Vader mogen zijn en dat wij samen, Joden en gelovigen uit
de volken, mogen schuilen onder Zijn grote Talit,
onder de vleugelen van de Allerhoogste! Amen!
Werner
Stauder